Het Juliana ziekenhuis

U bevindt zich hier: Home | Wie zijn wij | BovenIJ-geschiedenis | Het Juliana ziekenhuis

Het Juliana ziekenhuis

De Protestants-Christelijke ziekeninrichting ‘Juliana Ziekenhuis’ heeft bestaan van 1891 tot 1987 en ontleende haar naam aan de latere kroonprinses Juliana. De aanleiding hiervoor was een bezoek dat koningin Wilhelmina en haar dochter in mei 1927 aan het ziekenhuis brachten; voor deze tijd was de naam officieel ‘Gereformeerde Ziekenverpleging’.

Alles heeft een begin

De geschiedenis van het ziekenhuis gaat terug tot 1891, toen een commissie werd gevormd met het doel ‘te trachten enige dames te zoeken, die lust zouden hebben bij de kranken in de wijk eenige hulp te verleenen’. De eerste verpleegsters waren afkomstig van het Hervormde Diakonessenhuis in Utrecht. Ze kregen een salaris van ƒ 80,00 per jaar (plus bovenkleding). Aanvankelijk konden deze verpleegsters zich slechts ‘wijden aan de verpleging der zieken aan huis’: ze gingen dus bij de mensen op bezoek om hen thuis te verzorgen. Spoedig echter deed zich ‘de behoefte voelen om ook patiënten buiten het gezin in een inrichting te doen verplegen’. Dit werd mogelijk gemaakt doordat (de bierbrouwer) Hovy een bovenhuis op Herengracht 192 ter beschikking stelde.

Op 18 mei 1893 vond de opening van dit geïmproviseerde ziekenhuis plaats, dat toen plaats bood aan slechts tien patiënten. Bij Koninklijk Besluit van 10 maart 1893 was de Gereformeerde Vereniging voor Ziekenverpleging te Amsterdam officieel erkend. Werkzaam waren toen verder zes verpleegsters en enkele leerlingen.

In 1895 werd het pand Herengracht 70 aangekocht voor ƒ 25.000 waarvoor een ‘echt’ ziekenhuis verrees dat plaats bood aan dertig bedden. Er kwam nu ook een operatiekamer en vanaf 1896 waren in dit ziekenhuis werkzaam: een huisarts-directeur, een chirurg en een gynaecoloog, die allen hun werk belangeloos verrichtten. In dezelfde tijd werd een overeenkomst met de gemeente Amsterdam gesloten, die inhield dat het ziekenhuis voor de verpleging van ‘gemeentepatiënten’ (die anders in de gasthuizen kosteloos verpleegd zouden worden) een bedrag van tachtig cent per patiënt vergoed kreeg.

De relatie met de gereformeerde kerken

De Vereniging stond in deze jaren in ‘nauwe binding’ met de Gereformeerde Kerken A (afkomstig uit de Afscheiding van 1834) en de Gereformeerde Kerken B (voortgekomen uit de Doleantie van 1886). Bij elke bestuursvergadering was een Commissie van Toezicht aanwezig, die aangewezen werd door de kerkeraden. Tegenover deze ideële binding stond slechts een geringe materiële vergoeding: de bedragen die de diaconieën voor hun patiënten over hadden, waren bij lange na niet voldoende. De vroegste geschiedenis wordt dan ook gekenmerkt door permanente geldzorgen; slechts door legaten en giften kon het werk doorgang vinden.

Het ziekenhuis groeit

Het sterftecijfer was in 1896 erg hoog: van de 152 patiënten stierven er dertig. De secretaris verzuchtte: ‘dat het hoge sterftecijfer toe te schrijven is aan het groot aantal patiënten, lijdende aan incurabele ziekten, waarvan velen in verpleging waren gebleven aangezien ze geen thuiskomen hadden of buiten de verpleging geen goede verzorging hadden’.
De situatie was verre van ideaal. Het tot ziekenhuis omgebouwde woonhuis leverde tal van bezwaren op. Ook was de capaciteit van dertig bedden nog steeds te klein. De beste oplossing was de bouw van een nieuw ziekenhuis. In 1902 kreeg architect Tjeerd Kuipers opdracht voor een ziekenhuis van ongeveer zestig bedden en tevens werd bepaald dat het ƒ 97.385 mocht kosten.
Op 6 september 1904 werd het nieuwe ziekenhuis geopend. Het stond in Amsterdam-west, op de hoek van de Ter Haarstraat en de Bilderdijkkade. Weer bleek de behuizing al snel aan de krappe kant en niet lang na de opening werden maatregelen genomen, die er toe leidden dat al in 1905 negentig patiënten verpleegd konden worden.
De salarissen waren nog steeds erg laag en onder andere de naaikransen zorgden voor een belangrijke bijdrage ter leniging van de financiële nood. In het jaarverslag van 1906 wordt geklaagd over de lift, die nog door handkracht moet worden bediend. Pas in 1909 zet men de financiële bezwaren opzij en wordt elektriciteit aangelegd, waardoor de liftproblemen zijn opgelost en elektrische verlichting verschijnt.

Modernisering

In april 1919 neemt het bestuur der Geformeerde Vereniging voor Ziekenverpleging (GVZ) een ‘verheugend’ besluit: vanaf nu is het de zusters toegestaan om te fietsen. Uit dit opmerkelijke besluit blijkt wel dat er een behoorlijk streng regime in het ziekenhuis heerste; dit hing samen met de doelstellingen die de GVZ voor ogen stond.
Als doelstelling van een christelijk c.q. gereformeerd ziekenhuis werd gezien:
1. De opleiding van gereformeerde ziekenverpleegsters, die ‘in staat zouden zijn hun werk ten bate van zieken en lijdenden te verrichten’. Naast de medische vakken vormden de theologische vakken een belangrijk onderdeel.
2. Het geven van gelegenheid aan gereformeerden ‘in hun eigen vertrouwde milieu verpleegd te worden’.
In latere jaren veranderde deze doelstelling in ‘het leveren van een bijdrage aan de gezondheidszorg van de gehele Amsterdamse bevolking vanuit een bijbelse geloofsvisie’. Vooral na 1945 kreeg het Juliana Ziekenhuis steeds meer de functie van buurtziekenhuis.
In 1922 vond een grootscheepse verbouwing plaats: het ziekenhuis werd uitgebreid met de (zeer noodzakelijke) röntgenafdeling. In verband met chronisch plaatsgebrek werden plannen gesmeed voor een nieuwe vergroting, maar door de mobilisatie konden die niet worden uitgevoerd.

Tijdens de oorlog moest het ziekenhuis van naam veranderen, omdat het verboden was een inrichting de naam te laten dragen van een nog in leven zijnd lid van het vorstenhuis; om toch in de Oranjelijn te blijven heette het in die dagen ‘Juliana van Stolberg Ziekenhuis’.
Na de oorlog veranderde er veel. De ontwikkeling van wetenschap en techniek verliep erg snel en ging aan het Juliana Ziekenhuis ook niet ongemerkt voorbij. Van grote invloed op de modernisering was ook het zogenaamde Ziekenfondsbesluit: ongeveer 85 % van de bevolking was hierdoor verzekerd en voor hen werd door de ziekenfondsen vanaf nu de werkelijke kostprijs vergoed. Het verschijnsel van de ‘gemeentepatiënt’ behoorde hierdoor tot het verleden.

Het ziekenhuis in de nieuwe tijd

Inmiddels was de ziekenhuiscapaciteit al gestegen tot 200 bedden, met als gevolg dat de druk op de bestaande operatiekamer en röntgenafdeling toenam. In 1953 werd besloten tot een grote uitbreiding c.q. verbouwing, die duurde tot 1966. Er kwamen nieuwe specialismen, als cardiologie, anesthesie, klinische chemie en ook fysiotherapie en farmacie deden hun intrede.

In 1961 verliet de honderdduizendste patiënt het ziekenhuis. Twee jaar later werd het besluit genomen over te gaan tot de bouw van een geheel nieuw ziekenhuis, dat in Amsterdam Zuidoost zou moeten komen en een capaciteit van ruim 300 bedden zou moeten hebben. De plannen werden echter drastisch gewijzigd toen het Juliana Ziekenhuis samen met de Lutherse Diaconesseninrichting in 1970 de Stichting Christelijke Ziekenverpleging oprichtte. Er werd gestreefd naar een gezamenlijke nieuwbouw, met als plaats van vestiging de Venserpolder in Diemen en met een gepland aantal bedden van 330.
Ook deze poging strandde echter, nu vanwege de door het ministerie afgekondigde landelijke bouwstop. Op initiatief van de Gemeente Amsterdam kwam vervolgens contact tot stand tussen de SCZ en het ziekenhuis Amsterdam Noord (ZAN). In dit gedeelte van de stad was, vanwege de ziekenhuissituatie aldaar, plaats voor een groot nieuw ziekenhuis. Maar aangezien er geen uitbreiding op het bestaande ziekenhuisterrein plaats kon vinden, werden plannen ontvouwd voor de bouw van een nieuw ziekenhuis in Banne Buiksloot. Goedkeuring van het ministerie werd verkregen omdat het plan ‘paste in het streven om onder gelijktijdige reductie van de ziekenhuiscapaciteit tot een geleidelijke herstructurering van de Amsterdamse ziekenhuissituatie te geraken’. Op 15 oktober 1979 werd de Stichting Gezondheidszorg Amsterdam (SGA) opgericht, waarvan het ziekenhuis zou uitgaan.
De eerste paal van het nieuwe gebouw werd geslagen op 13 september 1984. Het gebouw van het Juliana ziekenhuis werd versneld gesloten en op 3 januari 1986 werd de overheveling van de klinische activiteiten van het Juliana Ziekenhuis naar de beide andere locaties voltooid. In mei 1987 werd het nieuwe ziekenhuis in gebruik genomen en kwam aan bijna honderd jaar Gereformeerde Ziekenverpleging een einde.

Bron: Het archief van het Juliana ziekenhuis, dat is ondergebracht bij het Historisch Documentatiecentrum voor het Protestantisme.

Het Juliana ziekenhuis in cijfers 1983
het aantal bedden 143 bedden en 7 wiegen
eerste polikliniekbezoeken 48.428
verpleegdagen 36.661
opnames 2.850
gemiddelde verpleegduur 12,9 dagen
medisch specialisten 32


Wilt u deze pagina delen via Social media? Klik dan hier.

Cookie Policy

Deze site gebruikt cookies om ervoor te zorgen dat we u de best mogelijke ervaring geven.
Strict noodzakelijke cookies
Deze cookies zijn strikt noodzakelijk om over de site te navigeren, of om te voorzien in door u aangevraagde faciliteiten.
Functionaliteitscookies
Deze cookies verbeteren de functionaliteit van de website door het opslaan van uw voorkeuren.
Prestatiecookies
Deze cookies helpen om de prestaties van de website te verbeteren, waardoor een betere gebruikerservaring ontstaat.
Online surfgedrag gebaseerde reclame cookies
Deze cookies worden gebruikt om op de gebruiker toegesneden reclame en andere informatie te tonen.
Meer weten...